Duitse werkwoorden vervoegen

De Duitse werkwoorden kennen zwakke, sterke en onregelmatige werkwoorden. In dit artikel leg ik graag uit wat de verschillen hiertussen zijn.

Zwake werkwoorden

De eigenschap van zwakke werkwoorden zijn dat deze in de tegenwoordige en verleden tijd dezelfde vervoeging krijgen. Oftewel, achter de stam (het werkwoord zonder ‚-en‘) komt er steeds een vaste vorm.

Tegenwoordige tijd (present)

machen (doen)reisen (reis)reden (praten)
StandaardAls de stam op een s-klank eindigtAls de stam op een -d, -t, eindigt
ichmachereiserede
dumachstreistredest
er / sie / esmachtreistredet
wirmachenreisenreden
ihrmachtreistredet
sie / Siemachenreisenreden

Verleden tijd (imperfect)

machen (doen)reisen (reis)reden (praten)
StandaardAls de stam op een s-klank eindigtAls de stam op een -d, -t, eindigt
ichmachtereisteredete
dumachtestreistestredetest
er / sie / esmachtereisteredete
wirmachtenreistenredeten
ihrmachtetreistetredetet
sie / Siemachtenreistenredeten

Voltooid deelwoord (past participle)

Deze vorm gebruik je om aan te geven dat iets is gebeurt en er daarna ook niets meer gaat geburen. Bijvoorbeeld? ‚Hij heeft de puzzel gemaakt‘. De puzzel is klaar en er hoeft niet doorgegaan te worden met puzzelen.

In het Duits maak je als volgt een voltooid deelwoord:
ge + er / sie / es-vorm van het werkwoord in de tegenwoordige tijd.

ge + (er / sie / es) macht
Er hat das Rätsel gemacht

Sterke werkwoorden

De uitgangen van sterke werkwoorden gaan nagenoeg hetzelfde als bij zwakke werkwoorden, maar . . . Sterke werkwoorden hebben als eigenschap dat ze van klanken kunnen veranderen. In de tegenwoordige tijd veranderd hierdoor de ‚a‘ in een ‚ä‘ en een ‚e‘ in een ‚i‘ of een ‚ie‘. In de verleden tijd veranderd, net als het Nederlands, het hele werkwoord.

Tegenwoordige tijd (present)

laufen (lopen)raten (raden)lesen (lezen)sprechen (lezen)
StandaardAls de stam op een -d, -t, eindigtAls de e in de stam lang wordt uitgesprokenAls de e in de stam kort wordt uitgesproken
ichlauferatelesespreche
duläufsträtstliestsprichst
er / sie / esläufträtliestspricht
wirlaufenratenlesensprechen
ihrlauftratetlestsprecht
sie / Sielaufenratenlesensprechen

Tegenwoordige tijd (present) – uitzonderingen

brennen (branden)es brennt
denken (denken)er denkt
gehen (gaan)er geht
kennen (kennen)er kennt
nennen (noemen)er nennt
rennen (rennen)er rennt
aufheben (optillen / bewaren)er heb auf
stehen (staan)er steht
sich wenden an (zich wenden (tot))er wendet sich an
geben (geven)er gibt
nehmen (nemen)er nimmt
werden (worden)er wird

Verleden tijd (imperfect)

kommen (komen)lesen (lezen)finden (vinden)
StandaardAls de stam op een s-klank eindigtAls de stam op een -d, -t, eindigt
ichkamlasfand
dukamstlasestfandst
er / sie / eskamlasfand
wirkamenlasenfanden
ihrkamtlastfandet
sie / Siekamenlasenfanden

Voltooid deelwoord (past participle)

Doordat sterke werkwoorden van klank kunnen veranderen, zijn er geen regeltjes waarmee het voltooid deelwoord uit sterke werkwoorden afgeleid kunnen worden. Het is dus een kwestie van opzoeken en in je hoofd stampen.

Onregelmatige werkwoorden

Werkwoorden die niet volgens de regels vervoegd kunnen worden, zijn onregelmatige werkwoorden. Ze worden ook wel eens klankveranderende werkwoorden genoemd, omdat ze van klank kunnen veranderen. Deze woorden moeten uit het hoofd geleerd worden.

Tegenwoordige tijd (present)

haben (hebben)können (kunnen)dürfen (mogen (toestemming hebben))mögen (lusten, lekker vinden, aardig vinden / mogen)
ichhabekanndarfmag
duhastkannstdarfstmagst
er / sie / eshatkanndarfmag
wirhabenkönnendürfenmögen
ihrhabtkönntdürftmögt
sie / Siehabenkönnendürfenmögen
wissen (weten)sein (zijn)werden (worden)werden (zullen)
ichweißbinwerdewerde
duweißtbistwirstwirst
er / sie / esweißistwirdwird
wirwissensindwerdenwerden
ihrwisstseidwerdetwerdet
sie / Siewissensindwerdenwerden
müssen (moeten)sollen (moeten)
ichmusssoll
dumusstsollst
er / sie / esmusssoll
wirmüssensollen
ihrmüsstsollt
sie / Siemüssensollen

A) Je gebruikt ‚müssen‘ wanneer het logisch is dat
Dat moet Anna geweest zijn. – Das muss Anna gewessen sein.

B) Bij een dringend advies gebruik je ook ‚müssen‘
Je moet nu gaan. – Du musst jetzt gehen.

C) Als je twijfelt of jezelf iets afvraagt, gebruik je ’sollen‘
Ik weet niet of ik er naar toe moet gaan. – Ich weiß nicht, ob ich hinfahren soll.

D) Ook in een persoonlijk bevel gebruik je ’sollen‘
Jij moet je mond houden! – Du sollst den Mund halten!

wollen (willen)möchten (willen)sollen (willen)
ichwillwolltesoll
duwillstwolltestsollst
er / sie / eswillwolltesoll
wirwollenwolltensollen
ihrwolltwolltetsollt
sie / Siewollenwolltensollen

A) Je gebruikt ‚möchten‘ als je iets aanbiedt of beleefd zegt wat je wenst
Wil je koffie of thee? – Möchtest du Kaffee oder Tee?
Ik wil liever thee. – Ich möchte lieber Tee.

B) Ook gebruik je ‚möchten‘ als je iets beslist (niet) wilt
Dat wil ik niet, dat heb ik toch al gezegd! – Das will ich nicht, das habe ich doch schon gesagt

C) Als ‚men iets wilt‘ of dat het ‚de bedoeling is dat‘ gebruik je ’sollen‘
Mensen zouden hier langzamer moeten rijden. – Die Menschen sollen hier langsamer fahren.

Verleden tijd (imperfect)

haben (hebben)können (kunnen)dürfen (mogen (toestemming hebben))mögen (lusten, lekker vinden, aardig vinden / mogen)
ichhattekonntedurftemochte
duhattestkonntestdurftestmochtest
er / sie / eshattekonntedurftemochte
wirhattenkonntendurftenmochten
ihrhattetkonntetdurftetmochtet
sie / Siehattenkonntendurftenmochten
wissen (weten)sein (zijn)werden (worden)werden (zullen)
ichwusstewarwurdewürde
duwusstestwarstwurdestwürdest
er / sie / eswusstewarwurdewürde
wirwusstenwarenwurdenwürden
ihrwusstetwartwurdetwürdet
sie / Siewusstenwarenwurdenwürden
müssen (moeten)sollen (moeten)
ichmusstesollte
dumusstestsolltest
er / sie / esmusstesollte
wirmusstensollten
ihrmusstetsolltet
sie / Siemusstensollten
wollen (willen)möchten (willen)sollen (willen)
ichwolltewusstesollte
duwolltestwusstestsolltest
er / sie / eswolltewusstesollte
wirwolltenwusstensollten
ihrwolltetwusstetsolltet
sie / Siewolltenwusstensollten

Voltooid deelwoord (past participle)

haben (hebben)gehabt
können (kunnen)gekonnt
dürfen (mogen (toestemming hebben))gedurft
mögen (lusten, lekker vinden, aardig vinden / mogen)gemocht
wissen (weten)gewusst
sein (zijn)gewesen
werden (worden / zullen)geworden
müssen (moeten)gemusst
sollen (moeten / willen)gesollt
wollen (willen)gewollt
möchten (willen)gemöchtet

Schreibe einen Kommentar